Doorgaan naar hoofdcontent

Posts

DE REGEL EN HET SLOT

Hij begreep niet hoe hij hier verzeild was geraakt, hij moest verkeerd zijn gelopen. Hij liep een eind de straat in, langs de hoge tuinmuur, waarover een tak groeide. Achter de muur klonk het gelach van een vrouw. Hij bleef staan. Het was warm. Hij zocht steun bij de muur. De muur was wit, zag hij nu, dat was hem nog niet opgevallen. Hij keek om zich heen. Alles is hier onbeschrijflijk wit, dacht hij. Iets verderop zag hij een poort. Hij liep erheen. Hij keek door de kier tussen de poort en de muur. Er was een klein zwembad. Hij schoof de regel van het slot en met één hand duwde hij de poort open. Hij deed een stap naar voren. In de ligstoel op het terras achter het zwembad lag de vrouw.  Druppels glansden op haar huid. Ze tilde een arm op en wenkte. Haar lippen bewogen, maar de woorden verdwenen onhoorbaar tussen hen in,  precies in het midden van het kleine zwembad.   Hij veegde het zweet van zijn voorhoofd. Toen draaide hij zich om, trok de poor...

WE ZOUDEN NIET VERGETEN

Man We zouden niet vergeten Vrouw Daarom ben ik ook gekomen… Man dat we hebben gelachen Vrouw ja absoluut… Man gelachen hebben we veel en dat… Vrouw …we het erover zouden hebben… Man zal ik niet vergeten want we hebben gelachen Vrouw ja… Man en veel hè? Vrouw Zeker, veel, veel en vaak… Man en dat zullen we nooit vergeten Vrouw ik niet in ieder geval… Man omdat we zoveel gelachen hebben Vrouw zo is het Man en dat niet vergeten godverdomme Vrouw nee… rustig maar… Man wat hebben we gelachen Vrouw hier heb je je thee… Man en niet en nooit vergeten dat we zo hebben gelachen Vrouw drink je thee maar op… Man       omdat we samen waren Vrouw dat zijn we nog… Man en zoveel gelachen hebben Vrouw ik ga nog niet weg hoor… Man       dat we het nooit zullen vergeten

OP DE PLAATS VAN HET WIT

O p de plaats van het wit hebben wij de vingers gebrand aan het onmogelijke verkeken we ons op het onbegrensde vertilden we ons aan de lichtheid van het leven vergaapten we ons aan het onzichtbare en deinsden we terug voor niets hoe het werkelijk was konden wij alleen maar dromen maar soms heel soms als we moedig waren lieten we ons vallen tot vlak boven de plaats van het wit

ZEE

De trein was overvol, iedereen leek naar zee te gaan. Johan zag een vrije plaats. Daar kon Eva zitten, en Dafne kon wel bij haar op schoot. Hijzelf   vond een plekje in de doorgang, achter de matglazen deur naar het tussenbalkon. De tassen en koelbox zette hij op de grond. Hij voelde in zijn kontzak. De kaartjes, voordelig gekocht bij de drogist zaten er nog. Nu konden ze vanavond toch naar de Italiaan. En morgen kreeg Dafne haar nieuwe fiets. Met zijn drieën een dag naar zee, dat was lang geleden. Fijn dat Dafne inmiddels haar zwemdiploma had. Johan keek naar zijn vrouw en dochtertje. Je bent een bofkont Johan, dacht hij.

FRATERNITÉ DE LA MORT

Op een smalle, bochtige bergweg, waar nauwelijks verkeer is, staat een Toyota Landcruiser. Achter het stuur zit een man zonder gezicht, in camouflagekleding. Hij kijkt naar het dal. Hij zit daar uren achtereen, te kijken naar het dal. Hij wacht.  Of hij staat iets verderop, zomaar op de weg. Zijn gezicht is niet te zien. Hij doet daar niets. Hij lummelt een beetje. Rookt een sigaret, kijkt eens naar beneden, trapt tegen een steentje.  De winterzon schijnt schraal op het struikgewas in het dal.   Achterin de auto, in de open laadbak, ligt een koppel honden. Ook zij wachten.   De man heeft geen haast en wacht tot het tijd is. Dan laat hij de honden los, die in de maquis verdwijnen en het wild opjagen. Hij haalt zijn moderne zeis tevoorschijn en doet wat hij doen moet. Dat is het werk van de  fraternité de la mort.

DE VOS

Er lag een vos op de weg een vos lag op de weg in een bocht van de weg lag de vos de vos lag in een bocht op de weg lag een vos in een bocht De vos die op de weg lag bewoog niet de vos lag stil op de weg in de bocht in de bocht was het stil op de weg was het stil en de vos lag daar doodstil lag de vos in de bocht op de weg

BLAUW LICHT DAT EIGENLIJK GEEL IS

Toen ik vanmiddag naar buiten keek, ik was net thuisgekomen van een wandeling naar Occhiatana, het begon al te schemeren, en ik in de verte de hemel die merkwaardige verkleuring van de vallende avond zag aannemen, waardoor het landschap eerst scherper wordt maar zich uiteindelijk toch gewonnen moest geven aan de nacht, bedacht ik dat de doden niet alleen zijn.